Executieve functies en schoolvaardigheden

Problemen bij de executieve functies Executieve functies (ook wel regelfuncties genoemd)horen bij het denkvermogen. Het zijn hogere denkprocessen die nodig zijn om activiteiten te plannen en aan te sturen. Je kunt ze zien als een ‘dirigent’. Ze helpen bij alle soorten taken. Het omvat de cognitieve processen (vaardigheden) die nodig zijn om (school)taken uit te voeren, zoals taakgerichtheid, volgehouden aandacht, werktempo, plannen en organiseren en inhibitie. Peg Dawson en Richard Guare (2009) onderscheiden elf soorten: Respons-inhibitie: nadenken voordat je iets doet. Werkgeheugen. Emotieregulatie. Volgehouden aandacht. Taakinitiatie. Planning/prioritering. Organisatie. Timemanagement: tijd inschatten, verdelen en deadlines halen. Doelgericht gedrag. Flexibiliteit: flexibel omgaan met veranderingen en tegenslag. Metacognitie: een stapje terug doen om jezelf en de situatie te overzien en te evalueren Steeds meer wordt duidelijk dat ook bij kinderen met bijvoorbeeld hyperactiviteits- of aandachtsmoeilijkheden of autisme er sprake is van een verstoorde ontwikkeling van de executieve functies. Op basis van verminderde executieve functies kunnen niet alleen kinderen met leermoeilijkheden, maar ook kinderen met gedragsmoeilijkheden ondersteuning krijgen om hun werkhouding en (leer)prestaties te verbeteren. Lees eens verder op welke terreinen de executieve functies soms niet goed ontwikkeld zijn: Regelfuncties Met deze functies bepaalt een individu het doel van zijn handelingen en gedrag, schakelt hij afleidende factoren uit, plant hij de volgorde van handelingen, voert hij de taken die daarvoor nodig zijn stap voor stap uit en controleert hij het effect, waarbij hij ook rekening houdt met mogelijke toekomstige effecten. Hij reguleert er de emoties, motivatie en alertheid mee en laat ervaringen uit het verleden meespelen bij de verwachtingen over en beslissingen voor de toekomst. Ook bijsturing van gedrag en corrigeren van fouten hoort hierbij. Complexe handelingen Sommige kinderen vinden het vaak moeilijk om complexe handelingen te co√∂rdineren. Het kan al een probleem zijn om zich aan te kleden, als de kleren niet vooraf zijn klaargelegd in de juiste volgorde. Ze kunnen vaak niet doelgericht te werk gaan in nieuwe situaties; het lukt ze niet om snel een ‘plan’ op te stellen zodat ze het belangrijkste eerst doen. Ook kinderen met autisme en ADHD hebben hier moeite mee. Innerlijke spraak Een van de instrumenten die de regelfuncties gebruiken om hun werk te doen is de innerlijke spraak. Dit is een vaardigheid die kinderen, als het goed is, vanzelf ontwikkelen. Als kleuter praten zij hardop in zichzelf, in de jaren daarop steeds zachter, totdat zij aan het eind van de lagere school alleen ‘in gedachten’ met zichzelf praten, onhoorbaar voor anderen. Innerlijke spraak is een belangrijk middel om ons gedrag te reguleren: we gebruiken het onder meer als we ons willen beheersen, als we plannen maken en als we voor onszelf nagaan of een opgelegde regel redelijk is. Bij kinderen met problemen met de executieve functies of AD(H)D loopt de innerlijke spraak vaak achter bij leeftijdgenoten. Hetzelfde geldt voor kinderen met spraak-taalstoornissen, autisme en soms voor kinderen met dyslexie of dyscalculie. Bron: Oudervereniging Balans, landelijke vereniging voor ouders van kinderen met ontwikkelingsstoornissen bij leren en/of gedrag.